recht

Ik besef nu pas echt wat ik bedoel wanneer ik zeg dat ik niet tegen onrechtvaardigheid kan. Dit besef kwam op gang door een onderzoek van de bioloog Frans de Waal. Hij had een ruilsysteem opgezet met kapucijnapen. Wanneer ze een steentje bij hem inleverden kregen ze als beloning een schijfje komkommer of een druif. De druif vonden ze het lekkerst. Wanneer hij de ene aap een schijfje komkommer gaf en de andere een druif dan werd de aap die een schijfje komkommer had gekregen kwaad en smeet zijn beloning weg. Blijkbaar was zijn gevoel van rechtvaardigheid gekwetst. Mensen hebben net als apen een aangeboren gevoel voor rechtvaardigheid, een meetlat om te bepalen of iets ‘recht’ is. Dit komt tot uitdrukking in gezegdes als: gelijke monniken gelijke kappen, voor wat hoort wat en afspraak is afspraak.

Mijn gevoel van rechtvaardigheid, van wat recht of krom is, heeft het afgelopen jaar onder druk gestaan. Klimaatonderzoekers bleken de waarheid omtrent de temperatuurstijging op aarde te hebben verdraaid. Het openbaar ministerie bleek de waarheid in een aantal rechtszaken te hebben verdoezeld. Dit alles riep de vraag bij me op: Waarom houd ik vast aan mijn innerlijke meetlat? Doe ik er niet beter aan om als een grashalm mee te buigen met de wind en me weer op te richten wanneer de wind gaat liggen? Toen ik deze vraag tot me door liet dringen besefte ik dat ik het onrecht moet blijven bestrijden en dat ik tegelijkertijd moet beseffen dat wat recht is wordt gebogen langs de kromme van de menselijke geest. Het is de natuurkundige wet die zegt dat zelfs het licht zich niet in een rechte lijn voortplant, dat het wordt afgebogen door de massa die het passeert.