© Copyright 2010, Willem Razenberg
In de eed die een advocaat aflegt staat: ‘Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de koning, gehoorzaamheid aan de grondwet, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.’ Bij de vraag of iets rechtvaardig is dient de advocaat een morele afweging te maken tussen het belang van het individu en dat van de maatschappij. Sommigen leggen deze afweging naast zich neer. Zij zoeken slechts naar vormfouten om hun cliënt vrij te krijgen. Hiermee maken ze niet alleen misbruik van het systeem. Ze gedragen zich ook onverantwoordelijk. Ze zijn niet, zoals het woord aangeeft, bereid en in staat een antwoord te geven op de vraag waarom ze kiezen voor het recht van de verdachte tegenover dat van het slachtoffer, de maatschappij. Het maakt hen niet uit of de moordenaar, oplichter of terrorist door kan gaan anderen schade te berokkenen. Zij herleiden hun beroep tot een rationele strijd met de papieren tijger van de wet. Helaas maakt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt het onmogelijk de ethische vraag publiekelijk te beantwoorden. Wanneer de beroepsgroep er echter niet in slaagt om zich te verantwoorden tegenover de maatschappij dan loopt zij het risico dat deze de advocatuur aan de schandpaal nagelt of aan eigenrichting gaat doen.
Uitgebracht op: 1 september 2006